Reportage uit de hel

De onderstaande tekst is een vertaling van een ooggetuigenverslag, geschreven door Oleksandr Daniljoek, die als militair chirurg in het Oekraïense leger de omsingeling van het stadje Debalstsevo meemaakte. Het tijdschrift Fokus heeft de tekst integraal gepubliceerd ter herdenking van deze bloedige strijd, die plaatsvond in februari 2015. De redactie heeft hierbij geen enkel woord gewijzigd uit respect voor de auteur en de vaak schokkende inhoud van zijn verhaal. Bovendien publiceerde zij de tekst niet in een Russische vertaling, zoals gewoonlijk, maar in het Oekraïens. Dit gaf Terra Slavistica de mogelijkheid om in de pen te klimmen en voor het eerst een tekst rechtstreeks uit het Oekraïens te vertalen. De originele tekst kunt u hier vinden.  

Geschiedenis van een schuilplaats

De terugtrekking uit Debaltsevo door de ogen van een arts aan het front

De weg Artemivsk-Debaltsevo, ‘s avonds. Met gedoofde koplampen beweegt onze ambulance zich voort door het schemerdonker. In de cabine klinkt door de portofoon:

– “Basis! Basis! Hier Smile. Over.”

– “Smile! Smile! Hier basis. Ik hoor u luid en duidelijk.”

– “Basis, wij zijn bij de portalen. Hoe is het weer?”

– “Smile, vooralsnog is alles rustig. Ga maar, we wachten!”

Smile is de chirurg van het basiskamp van de 128ste brigade. Met andere woorden: dat ben ik. Samen met Aquarium (de ambulancebestuurder Volodymyr Berezjnytskyj) keren wij na de zoveelste evacuatie van gewonden terug vanuit Artemivsk naar de uitvalsbasis van onze medische eenheid. De gevechtssituatie (het weer) is ogenschijnlijk rustig, “vooralsnog”.

De afgelopen dagen kwam ons team onder ongericht vuur te liggen van een automatische granaatwerper. We voelden met ons lichaam de drukgolven van de granaatexplosies en zetten het op een rennen tijdens de beschietingen. Toch probeerde ik mezelf keer op keer ervan te overtuigen dat de situatie compleet onder controle was.

Ongeveer twee kilometer voor de basis flitst er recht voor onze ogen een vuurbal op. Roodgloeiende stukken metaal vliegen op van de aarde als siervuurwerk in de vorm van een kegel. De bestuurder trapt op de remmen. Nog een explosie en nog een… Tientallen vuurpijlen gaan over in het geluid van ontploffingen van de projectielen van raketartillerie. We kijken ernaar als naar een slow motion film. We zijn echter geen toeschouwers, maar acteurs in deze speelfilm. We moeten dringend een besluit nemen: in beweging komen en proberen om razendsnel onder de beschieting vandaan te komen of hier op het asfalt gaan liggen in de hoop dat men ons niet raakt. Met elke seconde neemt het terrein dat onder vuur ligt vanuit het MRL-systeem BM-21 Grad toe…

Plotseling wordt alles stil. Lang blijven we niet liggen. We gaan niet wachten op de volgende lading cadeaus vanuit de “Russische Wereld”, maar scheuren door het veld terug naar onze schuilplaats. Daar voelen we ons min of meer veilig, ondanks de periodieke artilleriebeschietingen.

Thuis krijgen we van onze koks een hypercalorierijke en smakelijk maaltijd. Dit keer geen bijgerecht met vlees, maar vlees met een bijgerecht. Toen we gingen slapen, hield de bedrieglijk mooie vuurshow van dodelijk, roodgloeiend metaal ons wakker. Het besef was nog niet doorgedrongen dat de situatie in het vooruitspringende deel van het front rond Debaltsevo reeds kritiek was.

De eerste dag

Ongeveer tussen 8 en 9 uur ’s ochtends scheurde er een UAZ [vert.: een jeep of busje van het merk UAZ] het terrein van de medische eenheid op. De UAZ vervoerde een gewonde majoor. De standaardprocedure is om hem naar de ambulance te verplaatsen waar we eerste hulp verlenen. Daarna leggen we hem aan een infuus en proberen we de bloeding te stoppen. Vervolgens vertrekken we over de bekende weg naar Artemivsk, maar nu horen we van onze commandant de dodelijke woorden:

– “Waar gaan jullie heen? De weg is gesloten. We zijn omsingeld. Bij Logvynovskiy zijn Russische tanks doorgebroken en hebben de uitweg versperd.”

– ?

– “Doe alles hier, totdat de weg is schoongeveegd!” viel het hoofd van de medische brigade de commandant van onze medische eenheid bij.

De majoor had een schotwond in het lumbale deel van zijn rug. Van buiten ging de bloeding door. Ik had geen idee wat er van binnen allemaal gaande was.

– “Hij heeft een spoedoperatie nodig! Wat moeten we doen?”

– “We kunnen naar de spoorwegkliniek gaan en daar opereren” antwoordde het hoofd van de medische brigade.

De spoorwegkliniek is niet ver weg, maar de beschikbaarheid van een operatietafel en muren zou de situatie niet gered hebben. De kliniek werd namelijk voortdurend beschoten door zware artillerie. Daarnaast zouden we de medicijnen, de generatoren met brandstof en praktisch de hele medische staf hebben moeten verplaatsen. Dit idee deden we daarom af als te gevaarlijk, zowel voor de gewonden als voor het personeel van de medische eenheid.

We hadden geen tijd om lang na te denken. Ik begon maar direct in de ambulance met het stoppen van de bloeding. Dit lukte me, de moderne bloedstelpende middelen van de burgervrijwilligers kwamen hierbij goed van pas. De toestand van de majoor stabiliseerde enigszins. Hij vertelde dat hij gewond was geraakt op de weg bij Logvynovyj, waar ze ’s ochtends heen waren gereden voor een missie.

Op deze weg zagen zij een tank en een “Becha” (BMP – infanteriegevechtsvoertuig), maar ze dachten dat het onze troepen waren en gingen verder met de manoeuvre. Daarna stapte er infanterie uit met witte linten. De infanterie begon op de bemanning te schieten. De jongens keerden snel om en reden terug, maar een van de kogels drong dwars door de UAZ naar binnen en raakte de majoor in zijn onderrug.

Terwijl we hulp boden aan de gewonde, kwam onze schuilplaats opnieuw onder mortiervuur te liggen. Ik kon de majoor tijdig met schermvesten bedekken, wierp me op de bodem van de ambulance en begon te bidden.

God was ons genadig, maar ik wist vrijwel zeker dat de volgende beschieting ons niet zou missen. Ik besloot om de gewonde naar de kazemat te brengen. Samen met collega’s brachten we hem vlot over naar het ondergrondse bunker. We legden hem op een slaapzak bij de ingang zodat het makkelijker zou zijn en minder traumatisch om hem naar buiten te dragen op het moment dat ze de straat schoon kwamen vegen.

Zo begon ons “eenentwintigste-eeuwse veldhospitaal”.

Vanaf dat moment werd kazemat de operatiekamer. Het was een kuil bedekt door boomstammen die als balken dienden met daarbovenop aarde, beton, zeildoek en autobanden. De operatietafel was een slaapzak bedekt met een slaapmatje, waar het bloed gemakkelijk van af kon worden geveegd, zodat er daarna nog op geslapen kon worden. Chinese ledlampjes deden dienst als operatielampen. Het beperkte aantal instrumenten uit het medicijnenkoffertje konden we aanvullen met de tang van onze elektricien. Deze deed dienst als kniptang bij het uitvoeren van amputaties. Het lukte om de operatieruimte en de handen van de chirurg relatief steriel te houden (er was nog een voorraad ontsmettingsmiddel en handschoenen). Mijn ervaring van de Maidan kwam goed van pas: de principes van empirische, koude sterilisatie in het veld paste ik hier toe.

De tweede dag

De ochtend van 10 februari. We worden wakker in de hoop dat de omsingeling is opgeheven, de linies van de vijand zijn doorbroken en dat we opnieuw met de gewonden naar het hospitaal in Artemivsk zullen gaan. De hoop wordt door de commandant snel teniet gedaan. Het blijkt dat de omsingeling doorgaat.

De doden worden ’s nachts gebracht. De commandant van de medische eenheid en de sergeant leggen elke gesneuvelde voorzichtig in een zwarte zak en leggen die zakken vlakbij de schuilplaatsen. We kunnen noch de levenden noch de doden evacueren…

Onder het vuur van mortieren en GRAD-raketartillerie komen de nieuwe gewonden aan. Aan het plafond van de houten overspanning bevestigen we een druppelaar en langzamerhand verschijnt er boven elke slaapzak een schroef voor het bevestigen van een flacon. De hoeveelheid gewonden neemt toe… De schuilplaats is slechts bedoeld voor 12 personeelsleden van de medische eenheid. Nu zijn we echter al met zijn twintigen en meer dan de helft van dit aantal bestaat uit gewonden.

Het is zo krap dat het zelfs niet nodig is om de ruimte te verwarmen (niet dat we hier überhaupt iets voor gehad zouden hebben). De temperatuur is zo ook wel te verdragen. De kachel brandt alleen dan, wanneer we de volgende partij vieze sokken verbranden. De hoeveelheid sokken en beddengoed van burgervrijwilligers is vooralsnog afdoende. Iets van kleding wassen is nu nog niet realistisch: Er is geen water en geen warmte. Alle persoonlijke hygiëne bestaat uit vochtige zakdoekjes waarmee we onszelf afvegen.

Voor ieder van ons is naar het toilet gaan een heldhaftige onderneming. Dit is hoe het gaat. Je noteert het tijdstip van de laatste granaatinslag in de buurt van je locatie en vergelijkt dit met de volgende inslag. Dit geeft bij benadering de frequentie en de locatie van het bombardement aan en vervolgens ren je in schermvest en helm op en neer om je lichamelijke behoefte te doen. Soms werp je je midden in het toilet op de grond als de mortieren heel dichtbij komen. Dan lig je op de bevroren blubber en je vindt het niet eens smerig, daarvoor ben je simpelweg te bang. Wanneer je terugkeert naar de loopgraaf dan heb je het gevoel dat je de strijd om te overleven gewonnen hebt. Op dezelfde manier moeten we de gewonden naar buiten dragen om met ze naar het toilet te gaan. De omstandigheden en middelen om onze behoefte te doen in de loopgraaf zijn er simpelweg niet.

In principe heb ik engelengeduld, maar ik had dit zo langzamerhand wel verloren. Ik besloot om de Oekraïense burgermaatschappij op te hoogte te stellen van onze uiterst penibele situatie in Debaltsevo en schreef een sms: “Wij zijn omsingeld en kunnen de gewonden niet evacueren, we moeten opereren in de loopgraven… We moeten een oplossing vinden via de OVSE of het Rode Kruis voor de evacuatie van de gewonden, ze moeten allemaal nog verder geopereerd worden. Daarnaast moeten we ook de Russische fascisten die op onze weg liggen uiteenslaan! We bidden! P.S. maak mijn sms en naam niet bekend!!! Dank!” Het lukt om deze tekst na de tiende poging op de sturen aan zus en vriendin.

Derde dag

Nog slaperig en vermoeid krijg ik het bevel tot het afvoeren van de gewonden. Door de adrenaline komt de realiteit vlug binnen. Ik roep mijn team bij elkaar, neem mijn medische schoudertas mee en trek “ten strijde”.

Het is een zonnige ochtend en er is veel sneeuw gevallen. Zo nu en dan wordt de lucht verscheurd door explosies. Eerst was het idee om met een UAZ van de verkenningseenheid te gaan, maar dit hebben we snel laten varen. De “papieren” UAZ zou namelijk door elke kogel of scherf aan flarden worden gescheurd. Daarom lieten ze een MTLB aanrukken (een licht gepantserde en veelzijdige tractor, in de volksmond bekend als de “matalyga”). Een doodskist op rupsbanden… Ik wurm me in het infanteriecompartement en we gaan. Dit is al mijn tweede gewondentransport in een pantserwagen. Het begrip pantserwagen is in dit geval echter wat veel gezegd. Het beschermingniveau is volgens de monteurs van dit oorlogsgevaarte namelijk niet groter dan dat van onze schermvesten.

In de “infanterie-MTLB” is er slechts plek voor twee liggende soldaten of tien zittende. In het algemeen is dit voertuig bedoeld voor het vervoeren van munitie en wordt hij voornamelijk gebruikt als logistiek voertuig. Ik kan slechts bidden tot God dat hij ons beschermt… En voor de zoveelste keer was Hij ons genadig: Ondanks het geluid van de mortier die insloegen kwamen we aan, gaven de gewonden af en keerden heelhuids terug naar de basis.

Die avond wachten we als op hemels manna op de resultaten van de onderhandelingen in Minsk. We wachten, maar we begrijpen ook dat ze daar geen oplossing zullen vinden en dat we deze bloederige strijd verder zullen moeten voeren.

Tegen de avond vallen we in slaap…

De vierde dag

Er komt een kans op evacuatie. Over de radio geven ze door dat binnen een half uur een KamAZ komt voor de gesneuvelden en daarna binnen 15 minuten nog eentje voor de gewonden. En zo geschiedde.

Eerst laadden we de lichamen van de doden in. Daarna gingen we aan de slag met de gewonden, nadat we de vloer met matrassen en een hoop warme dekens hadden bedekt. Bij iedereen verschijnt een sprankje hoop op redding! Op zulke momenten begin je goedhartig jaloers te worden op de gewonden. Zij hebben een kans op een uitweg uit de belegering, maar wij, zolang we nog niet kapot zijn geschoten, hebben die kans niet.

Uiteindelijk is er nog maar een gewonde over. Hij heeft een open schedelwond. Ik kan al niet meer rechtop staan en ik vraag hulp aan de collega’s. Ik til hem op aan zijn benen en dan… een GRAD-beschieting. We hebben geen tijd om ons te realiseren wat er aan de hand is en al helemaal niet om naar de loopgraaf te rennen. We werpen ons simpelweg op de grond. 10-15 seconden lijken een heel leven te duren. Ik lig met mijn hoofd naast het hoofd van de gewonde. Ik heb geen schermvest aan of een helm op. De gedachte schiet voorbij: “God, is dit echt het einde. God, vergeef ons zondaars”. Ik verwacht pijn en vouw mijn armen en benen onder me, zodat ze niet worden afgescheurd. Ik wacht verder op de pijn. Je kan je lot niet ontlopen. Het regent aarde, troep en takken op ons. Mijn hele lichaam schudt van de explosies. Maar ik heb geen pijn… de 15 seconden gaan voorbij en de beschieting houdt op.

Nu was er in onze medische eenheid geen enkele functionerende auto meer over. De vrijwilligersambulances, de pillenbusjes, de vrachtauto’s en de lichte transportwagens waren kapot geschoten. Alleen mijn ambulance was nog heel, hij startte nog. De vooruit en de motorkap waren beschadigd door granaatscherven en de drukgolf van een explosie. De deuren sloten niet meer, maar toch was onze hoop gevestigd op dit laatste transportmiddel.

Het was volledig duidelijk geworden dat voor de vijand niets heilig was. Zij hadden ons radiosignaal onderschept en hadden het vuur op ons geopend op het moment dat wij de gewonden inlaadden. Zij kenden precies de coördinaten van de medische eenheid en hadden het tijdstip van de evacuatie goed gehoord. En ze hebben geen moment getwijfeld!

De vijfde dag

Onder het intense artillerievuur is onze toegang tot drinkwater praktisch compleet geblokkeerd. We hebben alleen nog de operationele voorraad. Deze raakt echter snel op. Gewonden drinken immers twee keer zoveel als gezonde mensen en ook wij verliezen per gewerkt uur door te zweten veel meer vocht dan normaal.

Qua eten is het iets makkelijker: Ten eerste ligt het opgeslagen in onze tent tegenover de loopgraaf. Ten tweede is er nog een hele kist koekjes in de loopgraaf. Ten derde hebben we sowieso niet echt zin om te eten. Maar in drinken des te meer! De collega-anesthesist geeft zich over aan de tactiek van de slakkenloze ondersteuning van de lichaamsfuncties: Overstappen op het alleen nog maar nuttigen van water met een 5 procent glucoseoplossing. Ik heb de glucose ook geprobeerd, maar heb daarna net als het merendeel van de collega’s besloten het te houden bij de “slakkenrantsoenen”, die bestonden uit koekjes en vies water. Hoewel het slakkenloze dieet veel voordelen had: De collega bevrijdde zich van het levensgevaarlijke risico van toiletbezoeken. Hij ging acht etmalen niet naar buiten.

Overheidsfunctionarissen verklaren in het nieuws dat er geen sprake van een “belegering” is en dat we niet zijn ingesloten. Even later valt de term “operationele omsingeling”. Maar wij allen, bovenal de gewonden, spugen op deze term en op hen die onze tactische situatie in Debaltsevo op deze manier beschrijven. Ons is slechts een ding duidelijk: We zijn zelf niet in staat om uit te breken. De gewonden evacueren zonder verliezen is praktisch onmogelijk. De voorraad van al het hoognodige raakt razend snel op. Er zijn geen nieuwe leveringen en bijna elk uur sterft er iemand of raakt er iemand verminkt… Op welke manier onze jongens de voorste posities nog houden, ik heb geen idee. Terwijl ik praat met de gewonden die daarvandaan komen, begrijp ik dat langzaam maar zeker Armageddon aanbreekt.

De zesde dag

In de avond, enkele uren voor het aangekondigde staakt-het-vuren, krijgen we nog een gigantisch bombardement van GRAD-raketartillerie te verduren. Al na tien minuten komt er bij ons een gewonde binnen. Sajko Govoroecha uit Zaporozje, ongeveer twintig jaar oud. Zijn rechterpols en rechteronderbeen zijn afgerukt, er zit een scherf in zijn borstholte, zijn luchtpijp is gescheurd (hij ademt door zijn keel), er zit een scherf in zijn jukbeen en hoofd die de hersenpan gepenetreerd heeft, één oog is kapot…

Zijn toestand is verschrikkelijk. De verwondingen zijn dodelijk, maar toch we gaan de strijd aan. Zijn makkers hadden het bloedstelpende tourniquet correct opgelegd. Daarom was de bloeding aan de ledematen gestopt. Ik pakte hem bij de borstkas en legde een occlusief verband aan. Verder was het noodzakelijk om de natuurlijke doorgang van de ademwegen te herstellen. Ik had nog nooit in mijn leven een luchtpijp geopereerd… Nadat ik een verdoving had toegediend, probeerde ik hem op de plek te krijgen, zette het geheel vast met hechtingen en… de ademhaling begon opnieuw via de natuurlijke luchtweg.

Hij zei zelfs iets! Sasja was in een toestand van traumatische shock. We konden hem niet neerleggen. Zitten wilde hij ook niet, als hij dat al had gekund. Zijn toestand stabiliseerde telkens een klein beetje. Als gevolg van de shock en de hoofdwonden bleef hij echter onrustig. Toen de jongen al voor de zoveelste keer lag te draaien en de pijnstillers en kalmeringsmiddelen niet hielpen, schudde ik hem door elkaar aan zijn schouders en vroeg hardop: “Sasja, wat wil je?” Met hese stem antwoordde hij: “Leven!”

De zevende dag

We krijgen nog een zwaargewonde. Een jongen van 25 jaar. Bewusteloos, in shocktoestand. Volgens de woorden van zijn begeleiders is Oleg gewond geraakt tijdens een mortierbeschieting in de strijd om het centrum van Debaltsevo. De anesthesiologen trachten hem direct te stabiliseren en passen alle reanimatiemiddelen toe.

Als ik bij de jongen terecht kom, beoordeel ik zijn wonden als levensbedreigend gezien de omstandigheden. Ik heb op dit moment geen andere gevallen en daarom doe ik alles wat ik kan. Ik probeer de wond op de ruggenwervels te tamponneren met het CELOX-verband van de burgervrijwilligers om op die manier in ieder geval het bloedverlies te verminderen. Het lijkt erop dat het lukt. Er zijn geen uitwendige verschijnselen van een bloeding. Wat er zich in de borstkas afspeelt, daar wil ik liever niet over nadenken.

Tijdens de intensieve eerstehulpverlening en het behandelen en stabiliseren van de wonden, wordt de jongen wakker en slaat zijn ogen op! Zijn eerste woorden: “Zal ik mijn Sofia nog zien?” Ik vraag wie Sofia is. “Mijn dochtertje, ze is twee jaar.” Ik weet niet wat ik hem moet antwoorden.

’s Avonds gaat het beter met Oleg. Hij ligt onbeweeglijk op de draagbaar bij de ingang van onze loopgraaf. Het is daar behoorlijk fris. Buiten is het op dit tijdstip min 10 tot min 15 graden. Bij de ingang van de loopgraaf is het eerder plus 10. We bedekken hem met gewatteerde jassen, slaapzakken en thermokleding… Oleg klaagt nergens over. Ondanks de verschrikkelijke, dodelijke wonden staat hij zijn mannetje en soms ontmoet mijn glimlach de zijne! Onwaarschijnlijke moed en uithoudingsvermogen.

Tegen middernacht vroeg hij wat te drinken. Door een buisje gaven we hem warme thee. Zijn “dankjewel” was voor ons artsen hetzelfde als een hoge onderscheiding. Hij zei wel “dankjewel”, maar van binnen brak mijn hart omdat we de jongen verder nergens mee konden helpen. We konden hem niet wegbrengen, niet opereren, niet zijn leven redden en er alles aan doen dat zijn droom uitkomt: Sofia zien.

De achtste dag

De hel gaat door. Het commando “ten strijde” klinkt steeds vaker. Twee derde van het personeel moet vechten. De spanning stijgt, overal klinken explosies. Zo nu en dan is het stil en dit gebruiken wij voor onze “heldhaftige” tripjes naar het toilet en pogingen om naar huis te bellen. De hoeveelheid beschikbaar drinkwater is catastrofaal.

Opnieuw komen er gewonden aan. Ik kijk en geloof mijn ogen niet. In het voorbijgaan zie ik Vadim Svidirenok, onze strijdmakker en vriend, onze hospik, die we enkele maanden niet gezien hadden. Het lukt hem nog om te zeggen: “Danila, jij ook hier?” Daarna verliest hij zijn evenwicht en raakt bewusteloos. We leggen hem op het rek. Ik controleer hem. Hij is gewond aan zijn heup en ledematen. Er is een tourniquet aangelegd waardoor hij niet bloedt, maar door het bloedverlies heeft hij een lage bloeddruk. Na de reanimatie komt Vadim snel bij kennis. Moedig verdraagt hij alle nieuwsgierige vragen. Als ik hem opereer, praten we met elkaar als twee oude roddelaarsters.

Deze ontmoeting met een oude vriend verbeterde mijn humeur. Vadim had een een geheim met mij gedeeld: hij wordt vader. Onze vreugde kent geen grenzen. Het is wonderbaarlijk, maar als je je in zo’n klotetoestand bevindt dan is het heel prettig om zulk goed nieuws van een vriend te horen. Omdat hij zich zorgen maakt over zijn zwangere vrouw, vraagt hij mij om ervoor te zorgen dat hij haar kan zeggen dat alles oké is. Helaas hebben we geen bereik, maar ik beloof tussen de bedrijven door direct te zullen bellen.

Denis Tsjabantsjoek uit Volyna was op hetzelfde moment als de hospik gewond geraakt. Hij was de commandant van het checkpoint waar ook Vadim de laatste tijd had gediend . Hij was lichtegewond, daarom wachtte hij op zijn beurt, terwijl hij grappen maakte met de jongens en in onze schuilplaats een positieve sfeer creëerde.

Op dezelfde dag brachten ze nog een aantal gewonden binnen. Een van hen, Vitali, was zeer ernstig gewond, met een been dat praktisch was losgerukt tot onder aan de knie. Meteen doorliepen we met hem de standaardprocedure: eerste de ader, daarna een anti-shockinfuus, pijnstillers, een vriendelijk woordje en vervolgens een haastige voorbereiding voor een operatie in ons ondergrondse. Ik zei tegen de jongen dat zijn ledemaat tot mijn ongelofelijke spijt niet te redden was en zo snel mogelijk geamputeerd moest worden om een stomp te kunnen vormen. Dit moesten we onmiddellijk doen om zijn leven te redden. Hierop antwoordde hij: “snijden maar!”

De operatie begon… Om de afgerukte restanten van het been te amputeren en een stomp te vormen, moest ik een stuk van een ijzerzaag gebruiken, die we reeds van tevoren hadden gesteriliseerd in een oplossing. De laatste keer dat men een dergelijk, zeg maar, operatie-instrument gebruikte, was in de Tweede Wereldoorlog…

Tegen het einde van de operatie komt de commandant van de medische eenheid, Andrej Sjamaljoek (“Verband”), naar met toe en fluistert in mijn oor dat we moeten stoppen omdat de volgende evacuatiepoging wordt voorbereid. Een colonne met gewonden gaat proberen uit te breken. Er zit niets anders op dan zo snel mogelijk een stomp te vormen. Ze laden de gewonden al in. Oleg ligt al op het platform en ik ben nog aan het werk. Vitali gedraagt zich moedig tijdens de operatie. Hij voelt geen pijn, maar hoort echter wel de geluiden van de instrumenten, met name de zaag. We werken haast zonder iets te zeggen door opdat zijn gespitste verbeelding geen rampzalige beelden vormt in zijn hoofd.

De druk is ongelofelijk hoog. Je wil alles zo goed mogelijk doen. Ze hebben Vadim al ingeladen en ik heb niet eens de kans gezien om hem de hand te schudden. Uiteindelijk verbinden we gehaast Vitali en brengen hem ook over naar de auto. We redden het niet om Denis Tsjabantsjoek te opereren. Na verbonden te zijn sluit hij zich aan bij de andere gewonden. Iedereen haalt adem. We kruisen onze vingers.

Zoals later bleek, liep deze colonne in een hinderlaag. Ze reden twee keer op een mijn. Alleen Vadim bleef over, levend maar verminkt. Hij lag drie etmalen op de bevroren grond en belandde in krijgsgevangenschap. Later lukte het de chirurgen van het brandwondencentrum in Kiev om zijn armen en benen te amputeren (over het lot van hospik Vadim Sviridenko kunt u in het artikel “Opstaan en lopen” op fokus.ua lezen).

De negende dag

Ze leggen de zoveelste gewonde op de stellage. De diagnose is een open schedelwond als gevolg van een mijnexplosie, hij is in coma. Ik geef direct het commando voor symptomatische behandeling, wat in onze omstandigheden een langzame, maar pijnloze dood in de kou betekent. In veldverpleging kunnen handelingen ongelofelijk wreed zijn, maar we moeten koelbloedig blijven om diegenen te kunnen redden, die nog een kans maken. Als je namelijk enkele uren van je tijd besteed aan een hopeloze patiënt dan verliezen we diegenen wiens leven we met een operatie hadden kunnen redden.

De volgende gewonde is Sasjko Tarasjoek (Tsjeboerasjka). Tijdens de inspectie van het wondkanaal, kwam ik tot mijn spijt tot de overtuiging dat een scherf erin geslaagd was om een rib te doorboren en terecht te komen in de buikholte. Na de inspectie zeg ik hem: “Vriend, je hebt een buikwond en een inwendige bloeding. Je gaat dood. We kunnen je niet naar het ziekenhuis brengen want we zijn omsingeld. Je enige kans is om hier een operatie te doen, in onze loopgraaf. De anesthesisten maken zich gereed om je onder narcose te brengen en ik ben klaar om je te opereren. Wat is jouw beslissing?” Sajsko zei: “Doe alles wat nodig is, als het maar geen pijn doet.” De anesthesisten brachten onze krijger direct onder narcose.

Als de spanning tijdens de operatie het hoogtepunt bereikte, scheld ik Misjats (mijn assistent, een verslavinsarts) uit omdat de mouwen van zijn wollen trui constant afglijden op de buik van de gewonde. Net als voor elke chirurg is steriliteit tijdens de operatie voor mij belangrijker dan wat dan ook en zijn trui raakt keer op keer de wond! Op een gegeven moment is de brandstof van onze generator op en hij, dat wil zeggen de generator, valt uit… Duisternis. Dankzij de burgervrijwilligers hebben we zaklampen. Zowel voor op het voorhoofd als aan de armen. De operatie stopt daarom geen minuut. De kwaliteit van de verlichting verslechtert echter. De belangrijkste lamp voor deze operatie wordt onze chauffeur Andrijko Mazepa (Broertje). Hij krijgt ook de volle lading van mij. Zo vraag ik hem constant om licht te schijnen op de wond. Maar dit lampje is totaal niet geschikt om een operatie mee uit te voeren, hij is niet eens geschikt als leeslampje. En een andere oplossing hebben we niet…

Vier uur opereren en we zijn klaar. Sasjko leeft nog en de levenstekenen zijn stabiel! De anesthesisten zorgen er direct voor dat de patiënt zelfstandig adem haalt en halen de ademhalingsbuis eruit. De eerste woorden van Sasjko waren als volgt: “Ik heb alles gehoord! Dokter, ik wilde je vermoorden, want je begon mijn ingewanden uit elkaar de halen!”

Na het einde van de operatie strekte ik mijn rug, die ongelofelijk pijn deed, en zei dat ze de volgende gewonde konden brengen. Het antwoord van de commandant choqueerde me:

“Er zullen verder geen operaties zijn.”

“Hoezo?”

“We gaan uitbreken”, antwoordde Andrej.

“Opnieuw de gewonden wegbrengen? ”, vroeg ik.

“Nee, we gaan met zijn allen uitbreken.”

“Een speedmars?”

Andrej knikte bevestigend.

Zoals bleek waren alle collega’s sinds de avond al ingelicht dat we uit de omsingeling gingen breken, maar mij hadden ze niets gezegd om met niet af te leiden van het werk. Aan de ene kant was het een positief bericht, omdat we allemaal weg wilden komen uit deze klotetoestand. Aan de andere kant begrepen we perfect dat ons een zware strijd te wachten stond en dat een ieder van ons slechts een twijfelachtige kans had om het te overleven.

Maar ik was me ervan bewust dat dit onze enige kans was om weg te komen uit deze situatie. We konden de chirurgie in de loopgraaf immers niet lang meer volhouden. Er waren weinig medicijnen en middelen over, er was helemaal geen plek meer voor gewonden, en niet alleen in onze loopgraaf, maar ook in de aangrenzende. Bijna al onze voorraden waren uitgeput, zowel de medische als de fysieke.

Om de een of andere reden besloot ik om het eindstadium van onze werksituatie, die ik het “eenentwintigste-eeuwse veldhospitaal” had genoemd, vast te leggen op een foto. Deze gedachte speelde kwam onbewust op, want ik had er nog niet een keer aan gedacht om een foto te maken. Ik vroeg de anesthesist Roeslan, die een smartphone had en zo nu en dan wat vastlegde op camera, ons te fotograferen na afloop van de laatste operatie. De gewonde Sasjko Tarasjoek was nog maar enkele minuten geëxtubeerd (overgebracht naar zelfstandige ademhaling) en lag nog in een plas bloed, temidden van een hoop gaas en gebruikte instrumenten, maar kon een beetje zijn hoofd oprichten en zijn vingers tonen in de vorm van het overwinningsteken V.

Er vormde zich een colonne en langzaam begon deze hortend en stotend de manoeuvre richting het vrije Oekraïne. Wij hadden de sprinkplank Debaltsevo verlaten, die we een half jaar vast hadden gehouden en waarvoor we tot de laatste man hadden gevochten. We lieten een deel van het Oekraïense grondgebied achter, waar honderden van onze soldaten zijn gevallen. We zijn weggegaan om met de tijd weer terug te keren, naar het kleine vaderland van de dichter Volodymyr Sosjoery, die in het jaar 1944 het geweldige oproepgedicht schreef “Houden van Oekraïne”:

Houd van haar in liefde, in werk en in strijd,

Alsof ze een lied bij de hemelpoort zou zijn…

Heb haar lief met heel je hebben en zijn,

En met haar glorie zullen we allen onsterfelijk zijn.